door MIEKE DE VOS | deze recensie verscheen in Hermeneus 98.1


Zou de poëzie van Daniel Heinsius (1580-1655) nog gelezen worden als ze in het Nederlands was geschreven? Het gebruik van het Neolatijn, dat dichters als Heinsius, Janus Secundus en Caspar Barlaeus ooit een groot en internationaal publiek opleverde, maakt hun werk tegenwoordig ontoegankelijk. Nu er een tweetalige uitgave is verschenen van de bundel liefdesgedichten, die Heinsius destijds uitgaf onder de titel Monobiblos, kan iedereen kennis maken met zijn sprankelende verzen. Harm-Jan van Dam, emeritus hoofddocent Klassiek Latijn en Neolatijn aan de Vrije Universiteit van Amsterdam, bezorgde de Latijnse tekst, vertaalde de gedichten en voorzag ze van een beknopt commentaar. 

Heinsius werd als Daniel Heins in Gent geboren. In 1583 vluchtten zijn ouders via Engeland naar de Noordelijke Nederlanden en vestigden zich in Vlissingen. Ze hoopten op een carrière als jurist voor hun zoon, maar het werden de letteren. Als achttienjarige bleek hij al een briljante Latinist. Hij ontwikkelde zich tot een veelzijdig man: classicus, theoloog en dichter en hij had ook een mooie carrière. Hij werd al jong hoogleraar Latijn in Leiden en later secretaris van de synode van Dordrecht, waar de strijd tussen Gereformeerden en Remonstranten werd beslecht. Hij bezorgde vele tekstuitgaven en dichtte zowel in het Latijn als het Grieks. De Monobiblos was een jeugdwerk, dat hij later uit zijn verzamelde gedichten verwijderde. Het is makkelijk te begrijpen waarom: de speelse en licht erotische verzen over de liefde van de dichter voor een zekere Rossa, een meisje met dansende borstjes en een heerlijke kusmond, pasten niet bij de gravitas van de secretaris van de Dordtse synode, temeer omdat ze in de ik-vorm waren geschreven. 

Monobiblos betekent één boek, of boek apart, en is een verwijzing naar de Monobiblos van Propertius (ca. 47-15 v.Chr.), één van de belangrijkste Romeinse liefdesdichters en een grote inspiratiebron voor Heinsius. Behalve Propertius volgt hij elegische dichters na als Tibullus en Ovidius, en ook ontbreken er geen kusgedichten naar het voorbeeld van Catullus. 

Net als Propertius wijdt Heinsius een lang gedicht (elegie 6) aan de mooie jongen Hylas, die door nimfen de diepte in wordt getrokken wanneer hij water wil putten uit een bron. Het Latijn is wonderbaarlijk mooi en welluidend, vooral als je bedenkt dat de dichter opgroeide in een Nederlandstalige omgeving:

Cum Venus occultis Cynerei saucia curis
furtivo domini surgeret e thalamo,
languida nox prono factura silentio mundo
stillabat madidis roscida sideribus
.

Heinsius hanteert het elegisch distichon (een afwisseling van een hexameter en een pentameter) en opent met een mythisch exposé dat vooruit wijst naar de dood van Hylas, want ook Adonis kwam tragisch aan zijn einde. Als een echte Hellenistische dichter toont Heinsius zijn geleerdheid door Adonis ‘zoon van Cyneras’ te noemen en het gebruik van Griekse leenwoorden als thalamus (slaapvertrek). Van Dam vertaalt dit heel knap in zesvoetige jamben, op rijm en met veel aandacht voor de verheven stijl:

Venus, verteerd door steelse liefde voor Adonis,
kwam op vanuit zijn heimelijke hemelbed:
loom liet de nacht dauwdruppels uit de sterren druipen,
in stilte draaide het firmament, volgens haar wet.

Van Dam vertaalde alle dertien elegieën stijlvol en vormvast, in een passend metrum. Voor de hijgerige kusgedichten bijvoorbeeld koos hij vijfvoetige iamben:

Zoenen nu, nu wil ik zoenen, nu zoenen
Rossa, mag ik je nu zachtjes zoenen
Rossa mijn lief?

Zo is Heinsius’ Monobiblos niet langer een curieus historisch verschijnsel, maar poëzie die verlangens van alle tijden vertolkt.


Specificaties van dit boek
Auteur: Daniel Heinsius (vert. Harm-Jan van Dam)
Titel: Monobiblos
ISBN: 9789024468010
Uitgever: Uitgeverij P, juni 2025
Uitvoering: softcover met flappen, 96 pag.
Prijs: € 19,95
Back To Top