Hoe Vergilius Christus’ vrome daden bezong: Proba’s Bijbel in verzen.

Dit is een online versie van: Mieke de Vos, ‘Hoe Vergilius Christus’ vrome daden bezong: Proba’s Bijbel in verzen’, Hermeneus 97.3 (2025), 24-32.

MIEKE DE VOS | Ergens in de tweede helft van de vierde eeuw kwam de Romeinse dichteres Faltonia Betitia Proba op het idee om de Bijbel om te werken tot een gedicht, opgebouwd uit verzen van Vergilius. Zo’n gedicht in Homerische of Vergiliaanse verzen wordt een cento genoemd en Proba’s Cento Vergilianus de laudibus Christi, zoals het werk voluit heet, is een van de meest geslaagde voorbeelden van het genre.

Portret van Proba bij de Latijnse tekst van haar Cento in een oude druk uit 1482. München, Bayerische Staatsbibliothek, 4 Inc.s.a. 1462, f. 18v. (https://archivesetmanuscrits.bnf.fr/ark:/12148/cc508491)

De Cento Vergilianus van Proba is 694 regels lang en is een samenvatting van de Bijbel, een geloofsbelijdenis en een lofzang op Christus inéén. Intrigerend is hoe de dichteres een persoonlijke toon weet te treffen, terwijl iedere zinsnede van haar gedicht is ontleend aan Vergilius. Dat namen als Jezus, Maria en Johannes de Doper bij Vergilius niet voorkomen was voor haar geen beletsel om deze personages met behulp van zijn verzen beeldend vorm te geven. Bij Proba lijken de klassieke literaire traditie en het christendom naadloos in elkaar over te vloeien, een kwaliteit die haar eeuwenlang een enthousiast lezerspubliek bezorgde.

In dit artikel probeer ik een drietal vragen te beantwoorden: wie was Proba, waarom nam ze de niet-christen Vergilius als uitgangspunt voor een christelijk cento en welke literaire middelen paste ze toe om Bijbelse verhalen en Vergiliaanse verzen samen te voegen tot een boeiend gedicht?

Zoals vaker het geval is bij auteurs uit de oudheid, en zeker bij vrouwelijke auteurs, is er weinig bekend over Faltonia Betitia Proba, behalve dat ze afkomstig was uit een aristocratisch geslacht en een zeer goede opleiding moet hebben genoten. Dat ze leefde tussen ongeveer 320 en 380 n. Chr. kunnen we afleiden uit de biografieën van haar vader (consul in 322), broer (consul in 341) en echtgenoot, die in 351 de functie van praefectus urbi, stadsprefect van Rome, bekleedde. In de eerste regels van het cento vermeldt Proba dat ze eerder een gedicht heeft geschreven over een burgeroorlog. Dit werk, dat verloren is gegaan, handelde waarschijnlijk over de strijd tussen keizer Constantius II en zijn rivaal Magnentius tussen 351 en 353. Proba’s man, op dat moment de stadsprefect van Rome, sloot zich tijdig aan bij het kamp van keizer Constantius en stelde zo de toekomst van de familie veilig, zodat ook Proba’s zoons weer hoge posten kregen binnen het keizerlijk bestuur.

Het is niet duidelijk wanneer Proba zich tot het christendom bekeerde, en of haar gezinsleden daarin meegingen, of zich meer thuis voelden bij de pagane godsdienst. Aan het slot van het cento spreekt Proba de hoop uit dat zij en haar man door hun vrome levenswandel mogen bewerken dat hun kleinkinderen zuiver zullen blijven in het geloof. Dit doet vermoeden dat haar man en een of meer van hun kinderen eveneens overgingen naar het christendom. Wat die kleinkinderen betreft werd haar hoop in ten minste één geval bewaarheid: haar kleindochter Anicia Faltonia Proba was een prominent lid van de christelijke gemeenschappen in Rome en Carthago, schreef net als haar grootmoeder christelijke poëzie, en correspondeerde met kerkvaders als Augustinus, Johannes Chrysostomus en Hieronymus.

De kunst van het quilten

Er zijn minstens twee redenen waarom Proba haar cento baseerde op het oeuvre van Vergilius: het idee dat de dichter een ‘Christianus sine Christo’ was, waarover later meer, en de wetten van het genre. Griekse cento’s werden gevormd met verzen uit de Ilias en Odyssee, Latijnse met verzen uit de Aeneis

Het woord cento betekent lappendeken in het Latijn, en dat suggereert iets rommeligs, een vorm van restverwerking. Een cento heeft echter meer weg van een quilt, om de metafoor van de lapjesdeken vast te houden. Net als een quilt is een cento zorgvuldig in elkaar gezet uit bestaand materiaal, met zorg gekozen en op maat gemaakt, zodat er nieuwe patronen en vooral ook nieuwe betekenissen ontstaan. Het materiaal waarmee werd gewerkt waren de oeuvres van de grootste dichters, de ‘lapjes’ waren hele of halve versregels, die perfect aan elkaar gezet moesten worden, zodat er geen haperingen optraden in metrum of zinsbouw, en de nieuwe verzen moesten qua betekenis logisch op elkaar aansluiten. Het ging erom dat de cento-dichter een eigen verhaal vertelde en nieuwe betekenissen destilleerde uit de oudere werken. Aangezien goed opgeleide Romeinen grote delen van Homerus en Vergilius uit het hoofd kenden konden cento-dichters spelen met de kennis en verwachtingen van de lezer. Proba’s tijdgenoot Ausonius (ca. 310 – 393) deed dit bijvoorbeeld in zijn zogenoemde Cento Nuptialis over ‘het huwelijk’ van Dido en Aeneas. Hij knipte en herschikte verzen uit het bekende vierde boek van de Aeneis en uit diverse gevechtsscènes op zo’n manier dat er een scabreuze tekst ontstond, waarin het beroemde paar geen tragische liefde, maar stomende seks beleeft. Ausonius bracht de plechtige verzen van Vergilius naar een lager register, Proba deed het tegenovergestelde. Ze deed dat met veel succes, want het statige idioom van de Aeneis bleek bijzonder geschikt voor haar verheven, religieuze doel. Wat Proba en Ausonius gemeen hebben is dat ze het werk van Vergilius een betekenis gaven die het voorheen niet had.

Christianus sine Christo

Of was er in de ogen van Proba en haar tijdgenoten misschien een christelijke boodschap verborgen in de werken van Vergilius? Regel 23 van het cento luidt: ‘Ik zal vertellen hoe Vergilius de vrome daden van Christus bezong’ (Vergilium cecinisse loquar pia munera Christi), en de introductietekst van een onbekende auteur bij de persoonlijke kopie van keizer Theodosius (346-395) noemt het cento een verbeterde versie van Vergilius: ‘Verwaardig U kennis te nemen van Maro, veranderd en verbeterd in goddelijke zin’ (dignare Maronem / mutatum in melius divino agnoscere sensu). 

Voor hedendaagse lezers lijdt het geen twijfel dat Proba die christelijke betekenis zelf construeerde, maar aan het einde van de vierde eeuw was het idee dat Vergilius één van hen was wijd verbreid onder christenen. Dat ligt niet voor de hand: Vergilius (70-19 v.Chr.) was al overleden voor de geboorte van Jezus, zijn werken zijn doordrenkt van het Romeinse wereldbeeld en worden bevolkt door talrijke goden en halfgoden. Het denkbeeld dat de dichter een Christianus sine Christo en zelfs een profeet was gaat terug tot de filosoof en kerkvader Origenes van Alexandrië (ca. 185-254). Origenes meende dat het christelijk geloof een onlosmakelijk onderdeel was van de schepping en van meet af aan was geopenbaard aan een beperkt aantal zielen. Zo verklaarde hij bijvoorbeeld dat voorchristelijke filosofen als Plato en Aristoteles ook voor christenen waardevolle beschouwingen over ethiek hadden geschreven. Een van de navolgers van Origenes was Lactantius (ca. 240-320), een christelijke filosoof en verdediger van het geloof. Lactantius zag Vergilius als één van die door Christus geïnspireerde zielen en ontwaarde allerlei paralellen tussen zijn werken en de Bijbel. De belangrijkste was die tussen regel 7 uit de vierde Ecloga (iam nova progenies caelo demittitur alto, ‘nu wordt een nieuwe telg door de hoge hemel gezonden’) en Jesaja 11 (‘Maar uit de stronk van Isaï schiet een telg op, / een scheut van zijn wortels komt tot bloei’, NBV21), die beide de geboorte van Jezus zouden aankondigen.

Ecloge 4, de aankondiging van de komst van een kind, potloottekening van Samuel Palmer, Eclogue IV: Thy Very Cradle Quickens, 1876. (https://en.wikipedia.org/wiki/File:Palmer-cradle-quickens-1876.jpg)

In haar cento gaat Proba door op deze weg door voortdurend paralellen aan te brengen tussen de Bijbel en de Aeneis. Zo beschrijft ze bijvoorbeeld de boom van kennis van goed en kwaad in de hof van Eden met verzen uit boek 6 van de Aeneis over de heilige boom met de gouden tak, die toegang geeft tot de onderwereld. De kwaadaardige, door Juno gestuurde slang uit boek 2, die Laocoön en zijn zonen wurgt, levert zowel de verzen voor de slang in het paradijs, als die voor de duivel die Jezus tracht te verleiden in de woestijn. Op een meer abstract niveau lijkt de queeste van Aeneas om een nieuw Troje te stichten op Jezus’ missie om het koninkrijk gods te grondvesten, mede doordat Proba soms beschrijvingen van de held Aeneas gebruikt om Jezus gestalte te geven. Als een mensenmassa zich heeft verzameld om de Bergrede te horen vallen Aeneas en Jezus bijvoorbeeld even samen:

Exultantque animis, medium nam plurima turba (A. 11.491 / 6.667)
Hunc habet atque umeris extantem suspicit altis (A. 668)

Hun zielen juichten, want temidden van de massa’s
stond Hij, en allen staarden naar Zijn brede schouders. (Proba 460-461)

De kunst van het weglaten

Het moet een enorme klus zijn geweest om de Bijbel terug te brengen tot 694 regels en voor iedere passage passende dichtregels te vinden bij Vergilius. De lengte werd vermoedelijk ingegeven door de hoeveelheid verzen die op een rol papyrus paste. Proba’s cento is veel langer dan andere overgeleverde cento’s, die niet meer dan tweehonderd regels bevatten, en behalve uit de Aeneis putte ze ook uit andere werken van Vergilius, met een ereplaats voor de vierde Ecloga.

Proba’s samenvatting berust op een strenge selectie van verhalen. Het Oude Testament (276 regels) bestaat voornamelijk uit de schepping en de verdrijving uit het paradijs, die ze uitgebreid vertelt. Kain en Abel, de zondvloed en de uittocht uit Egypte beslaan slechts enkele regels en dan rondt ze het af met één goedgekozen vers uit de Georgica. ‘Het overige gedenken laat ik over aan anderen die na mij komen’ (praetereo atque aliis post me memoranda relinquo, G 4.148).

Het Nieuwe Testament is met 348 regels een stuk langer, maar ook hier moet Proba veel weglaten. De vele wonderen van Jezus bijvoorbeeld beperkt ze tot drie gebeurtenissen rond het meer van Galilea, die ze kunstig combineert tot een doorlopend verhaal van 33 versregels. Eerst redt Jezus de vissers van een wisse dood door te zorgen dat een storm gaat liggen. Dan herkennen de vissers Gods zoon en wordt zijn goddelijke natuur onderstreept door de wandeling over het water. 

Door veel weg te laten en de verhalen die ze selecteert op een economische manier te vertellen creëert Proba een samenvatting die in al zijn beknoptheid uitstekend is te volgen, ook voor lezers die nog niet vertrouwd waren met het christendom. Ze brengt een heldere structuur aan door de Bijbel te presenteren als een tweeluik, met God de vader en zijn zoon als hoofdrolspelers. Ze markeert de overgang van het Oude naar het Nieuwe Testament als een nieuw hoofdstuk: ‘nu ga ik over tot het grootste werk’ (maius opus moveo r.334), waarmee ze en passant duidelijk maakt dat voor haar hier het zwaartepunt ligt. De schepping en het ontstaan van de natuur van de mens blijken de opmaat naar de heilsboodschap van Jezus, het verbindende element en het centrale thema in het cento. 

Proba omlijst de Bijbelverhalen met persoonlijke getuigenissen van haar geloof. In de eerste 55 verzen ‘bekent’ ze voorheen wereldse onderwerpen te hebben bezongen – een voorbeeld van christelijke bekentenisliteratuur – maar nu gaat het roer om. Ze verwerpt de oude goden en bidt om bijstand voor haar onderneming:

O pater, o hominum rerumque aeterna potestas, (A. 10.18)
da facilem cursum atque animis inlabere nostris. (G. 1.40 / A. 3.89)

O Vader, eeuwig heerser over mens en heelal,
ik bid U, daal neer in mijn ziel en effen mijn pad. (Proba 29-30)

Een tweede getuigenis volgt na de beschrijving van de doop van Jezus:

Illum ego per flammas, agerem si Syrtibus exul, (A. 6.110 / 5.51)
Per varios casus, per mille sequential tela (A. 1.204 / 6.110)

Hem volg ik door een vlammenzee, als balling naar Syrtis,
ik doorsta ongeluk en duizend pijlen dankzij Hem. (Proba 422-23)

Tot slot, meteen na de beschrijving van de hemelvaart van Jezus, heft ze een ode aan op Hemelvaartsdag en blikt ze vooruit naar haar kleinkinderen. 

Door die persoonlijke ontboezemingen maakt Proba duidelijk wat er voor haar op het spel staat: de redding van haar ziel in het hiernamaals. Ze besteedt veel aandacht aan het ontstaan van het kwaad en de straffen die God in petto heeft voor de mensheid. Hiervoor vermengt ze Oudtestamentische verhalen, zoals dat over de broedermoord van Kain op Abel, met de mythe over het gouden geslacht dat vervalt tot het geslacht van ijzer. In haar weergave van de Bergrede dreigt Jezus zondaars met vreselijke straffen na de dood. Het is de eerste beschrijving van de hel in de christelijke literatuur, waarvoor Proba rijkelijk kon putten uit Aeneas’ tocht door de onderwereld in boek 6. Het verlangen naar verlossing geeft het gedicht een gevoel van urgentie.

Een scheppend kunstenaar

Het cento heeft een hoog verteltempo en is rijk aan afwisseling en personages. Vergilius’ leerdicht over de landbouw, de Georgica, en zijn Eclogae leverden materiaal voor idyllische scènes, zoals de schepping, het paradijs en het laatste avondmaal. Voor scènes vol actie, zoals de kruisiging, vond ze meer dan voldoende passende regels in de Aeneis

Proba schroomt niet om Bijbelse figuren te benaderen als literaire personages met eigen gedachten en gevoelens. Adam (door haar aangeduid als ‘de eerste mens’) probeert zichzelf als een volleerde advocaat vrij te pleiten na het eten van de appel, zijn vrouw mag wat hem betreft meteen dood. Het meest uitgewerkte karakter is God (‘de Vader almachtig’). Hij wordt geportretteerd als een kunstenaar, die ervan geniet om iets te maken. Hij maakt flink vaart: bij Proba is de schepping van hemel en aarde, land en zee, flora en fauna, al in drie dagen voltooid, zodat God alle tijd heeft om na te denken over het sluitstuk van zijn creatie:

Iamque dies alterque dies processit, et omne (A. 3.356 / G. 2.20)
hoc virtutis opus divinae mentis et haustus (A. 10.469 / G. 4.220)
prospiciens genitor perfectis ordine rebus (A. 1.155 / 3.548)
expleri mentem nequit ardescitque tuendo (A. 1.713)
terrasque tractusque maris caelumque profundum, (G. 4.222)
alituum pecudum genus, secumque volutat. (A. 8.27 / 10.159)
Qui mare, qui terras omni dicione tenerent, (A. 1.236)
neu segnes iaceant terrae. Iuvat usque morari. (G. 2.37 / A. 4.487)
Talia versanti subito sententia sedit. (A. 1.102 / 9.551)

De vierde dag verstreek, de vijfde ging voorbij,
en onze Vader zag zijn machtig werk, de schepping
van zijn goddelijk brein, en alles had zijn vaste orde.
Zijn geest was echter niet geheel bevredigd. Kijkend
naar al het land, de weidse zee en hoge hemel,
de vele soorten vee en vogels broeide het in Hem.
Hij wikte wie het land en de zeeën mocht bezitten –
de aarde mocht niet ledig blijven. Hij nam de tijd,
en alles overwegend, wist Hij opeens wat te doen. (Proba 107-115)

Met gevoel voor detail beschrijft Proba hoe God de eerste mens creëert uit smeuïge voorjaarsaarde en vervolgens een beeldschone maagd om hem gezelschap te houden. Wellicht is het uit teleurstelling dat hij zijn schepselen zo hard straft als ze ongehoorzaam zijn, want in het Nieuwe Testament verschijnt hij weer als een liefhebbende vader. 

Een ander interessant personage is Maria (‘de moeder’), die in het cento een heldenrol vervult. Maria voorziet de kindermoord op bevel van koning Herodes, vlucht en verbergt haar kind in een stal. In het evangelie van Lucas wordt Jozef door een engel gewaarschuwd en vlucht hij met vrouw en kind naar Egypte, bij Proba is Jozef afwezig.

Conclusie

Proba, een buitengewoon erudiete vrouw uit de bovenste laag van de Romeinse samenleving, werd christen en wendde haar kennis en literaire talent aan om het Cento Vergilianus de laudibus Christi te schrijven. De keuze voor Vergilius werd ingegeven doordat zijn werk de basis vormde voor Latijnse cento’s en door het idee dat de dichter de geboorte van Christus verkondigd zou hebben. Proba werkte de belangrijkste Bijbelverhalen om tot een kernachtige en uiterst leesbare samenvatting. Ze volgde de Testamenten niet slaafs, maar selecteerde verhalen, voegde samen, versnelde of vertraagde haar vertelling, wisselde tussen directe en indirecte rede, schilderde idyllische landschappen of een angstaanjagende onderwereld, en creëerde tal van levendige personages. De verzen van Vergilius bleken ongelooflijk wendbaar onder haar vaardige handen. Van de schepping tot de dood en wederopstanding van Jezus ontstonden er verhalen waar de Romeinse dichter geen weet van gehad kon hebben, in zijn eigen verheven verzen. Zo verenigde Proba wat voor haar vermoedelijk het beste van twee werelden was: de christelijke leer en de antieke literaire traditie.

De citaten in dit artikel zijn vertaald door de auteur en komen uit haar integrale vertaling van het cento. De gouden Bron: de bijbel in verzen van Vergilius, verscheen in mei 2025 bij uitgeverij Damon.

Literatuur

Peter Brown, The world of late Antiquity (Londen 1971).

Alessia Fassina en Carlo M. Lucarini, Faltonia Betitia Proba, Cento Vergilianus (Berlijn 2015).

Stephen Hinds, ‘The self-conscious cento’ in: Marco Formisano & Therese Fuhrer (red.) Décadence, “Decline and Fall” or “Other Antiquity”? (Heidelberg 2014).

Sigrid Schottenius Cullhed, Proba the Prophet, The Christian Virgilian Cento of Faltonia Betitia Proba (Leiden 2015).

Jane Stevenson, Women Latin Poets: Language, Gender, and Authority from Antiquity to the Eighteenth Century (Oxford 2005).

Berenice Verhelst, ‘Herkenning, verrijking en herijking in Eudocia’s Homerische evangeliën’ in: Mathijs Clement, Hubert Mooiman en Iris de Smalen (red.), De kracht der herinnering. Bundel uitgegeven ter gelegenheid van het 85-jarig bestaan van het Nederlands Klassiek Verbond (Utrecht/Enschede 2023).

Back To Top