door TOM BUIJTENDORP
▶ Lange tijd was het onderzoek naar Caesar in de Lage Landen noodgedwongen vooral gebaseerd op klassieke teksten, Caesars eigen verslag voorop. Vanaf begin deze eeuw kwamen daar archeologische ontdekkingen bij die in combinatie met de teksten nieuwe inzichten opleveren. De schaarste van het materiaal vormt methodologisch een interessante uitdaging.
Deze bijdrage verscheen op papier in Hermeneus 96.2 (mei 2024).
Julius Caesar schreef in zijn Gallische oorlog uitvoerig over zijn noordelijke campagnes, maar bijbehorende archeologische vondsten bleven lange tijd uit. Belgische onafhankelijkheidstrijders opperden daarom in de 19de eeuw dat Caesar zijn noordelijke campagnes verzon omdat hij te bang was voor de ‘Belgae’, die volgens hem onverschrokkener waren dan alle andere Galliërs. De Belgische vrijheidsstrijders benutten dat beeld, weglatend dat Caesar met Belgica een veel groter gebied tussen Seine en Rijn bedoelde. Ook in later tijden bracht het ontbreken van archeologische bewijzen onderzoekers tot het idee dat Caesar zijn noordelijke campagnes bedacht om in Rome indruk te maken, zoals in 2006 archeoloog Thoen nog opperde. [noot 1] Sindsdien maken nieuwe ontdekkingen duidelijk dat Caesar geen complete campagnes verzon, maar archeologisch wel gemakkelijk onder de radar blijft.
Caesar was geen fantast. Recent onderzoek vestigde er de aandacht op dat stafleden van Caesar vanuit de Lage Landen brieven naar Rome schreven, onder meer aan senator Cicero. [noot 2] Daarbij komt informatie van officieren en soldaten die terugkeerden, en de contacten van bondgenoten met Rome. Zodoende had de senaat, destijds het machtigste politieke orgaan, meer bronnen over het verloop van de strijd dan Caesars verslag alleen. Hieruit kan men afleiden dat Caesar in de stijl van die tijd zijn verslaglegging soms overdreef, maar geen veldslagen en expedities kon fingeren.

Bovenstaande afbeelding: De stroomgebieden van Schelde (blauw) en Maas (oranje) met ertussen een vrij vlakke en ‘droge’ doorgang. In rood Caesars aannemelijkste route van de Rijn bij Koblenz naar de kust (zie Buijtendorp 2023a, p. 9).
Anders kijken
Het is bij onderzoek als een oude astronoom die met een van de eerste telescopen de kraters van de maan heeft bestudeerd, en met enkele draaibewegingen de indruk kan krijgen dat er verder geen planeten bestaan. Ongericht de hemel afspeurend, kan het lang duren voordat een planeet voor de lens verschijnt.
Archeologen zijn in onze regio gewend aan permanente Romeinse forten die langs de grens vaak zo’n tweeënhalve eeuw functioneerden, en soms nog langer. Tweeënhalve eeuw is afgerond gelijk aan 90.000 dagen. Bij de campagnes van Julius Caesar gaat het daarentegen vaak om marskampen die na een dag weer werden verlaten. In theorie is daarmee in een dagkamp het aantal verloren munten 90.000 keer zo klein als in zo’n permanent kamp. Anders gezegd: als een opgegraven permanent kamp 10.000 muntvondsten oplevert, moet je negen dagkampen opgraven om in totaal één munt te vinden.
De werkelijke verhoudingen zijn uiteraard complexer. Zo speelt mee hoe intensief een permanent fort is gebruikt, en hoe muntverlies zich in de loop der tijd ontwikkelde. Anderzijds kan bijvoorbeeld op mars nog meer dan in permanente forten, afval hergebruikt zijn bij gebrek aan vervangende bronnen, waardoor kampen relatief ‘schoon’ werden achtergelaten. Punt is dat de vindkans bij een mobiel leger vele malen kleiner is dan in het geval van de permanente forten.
Illustratief is de opgraving in Limburg an der Lahn bij Koblenz waar in 2012 bij wegenbouw een flink deel van twee Romeinse marskampen is gevonden, en de aanwezigheid van Caesars leger aannemelijk werd gemaakt. Ondanks de grote opgravingsvlakken kwam slechts één munt tevoorschijn, met ook nog de mogelijkheid dat deze is verloren in de lokale nederzetting die voor het kamp moest wijken. [noot 3]
Schoenspijker in een hooiberg
Met de lage vindkans van dateerbare munten was het een doorbraak toen archeoloog Matthieu Poux in 2008 wees op de dateerbaarheid van de ijzeren nagels onder de zolen van Caesars soldaten. [noot 4] Deze bleken herkenbaar aan de vorm en de uitzonderlijk grote diameter die alleen in Caesars tijd voorkwam. Omdat de intensief gebruikte soldatenschoenen relatief kort meegingen, bleek dat een belangrijk dateringsmiddel. Door het korte gebruik van de marskampen is ook deze vondstcategorie zeldzaam. Maar de drie exemplaren uit de opgraving in Limburg an der Lahn hielpen een link te leggen met Caesars beschrijving van zijn Germaanse campagnes in de regio.
Illustratief voor de slechte zichtbaarheid van Caesars marsleger is het kamp bij Hermeskeil in Duitsland, ten zuidoosten van Trier. [noot 5] De kampwal is uitzonderlijk goed bewaard en was al lange tijd bij archeologen bekend. Maar pas met de herkenning van de schoenspijkers werd de relatie met Caesars leger gelegd.
Dat bij Hermeskeil zo’n honderd schoennagels zijn opgegraven, past bij aanwijzingen dat het kamp wat langer is gebruikt, mogelijk enkele maanden. Maar zelfs een gebruiksduur van bijvoorbeeld 90 dagen is nog steeds een factor duizend korter dan in het voorbeeld van de permanente forten. Ook hier valt de kwantitatieve vergelijking niet zo simpel te maken, maar de essentie is dat de vindkans van scherp dateerbare objecten aanzienlijk kleiner is. Zeker bij kleine verkenningen blijft het als zoeken naar een naald in een hooiberg, of in dit geval: een schoenspijker in een hooiberg.
Zelfs bij Alesia, waar de locatie van de daar gebruikte kampen op hoofdlijnen bekend is, zijn veel kampen nog niet getraceerd. En ook van de strijd zelf, die op deze locatie een uitzonderlijk grote omvang had, is opvallend weinig teruggevonden. Bij kleinere slagvelden is dat nog lastiger. Caesar beschrijft er in zijn Gallische oorlog een dertigtal, waarvan het merendeel nog niet is getraceerd. Ook hier speelt de schaarste aan vondsten. Zo passen bij het Franse Mauchamps bij Berry-au-Bac sporen van kampen bij Caesars beschrijving, maar er zijn van deze plaats geen grote hoeveelheden vondsten bekend. Met oppervlakkige observaties zijn slagvelden zelden te identificeren.
Afwezigheid van bewijs is geen bewijs van afwezigheid
Methodologisch betekent de lage vindkans dat afwezigheid van dateerbare vondsten niet automatisch betekent dat Caesars troepen er met zekerheid niet waren. Een voorbeeld is de prehistorische hoogteburcht die relatief goed bewaard is op de vlakte van Caestert, aan de voet van de Sint-Pietersberg. Veel wijst erop dat dergelijke hoogteburchten in het noorden doorgaans niet werden gebruikt voor bewoning, maar voor kleinschalige activiteiten, zoals rituelen bij een beschermd heiligdom. Een andere functie was vluchtburcht in tijden van nood. Mede daardoor zijn ook daar goed dateerbare vondsten zoals munten veelal relatief zeldzaam.
Bij een kleine opgraving vond archeologisch bureau RAAP hout dat was gebruikt bij herstel van de oude wal. [noot 6] Het jaarringenpatroon wees op een reparatie in 31 v.Chr. of kort daarna. De opgravers wezen op de onrust in die tijd waarin kennelijk de defensieve wal was versterkt, hoewel tussen het weinige dat gevonden is, dateerbare vondsten uit die tijd ontbraken. Afwezigheid daarvan vormde dus geen bewijs van afwezigheid: dat dateerbare vondsten uit de tijd van Caesar ontbraken, bewijst dus evenmin dat er geen soldaten van Caesar in de hoogteburcht zijn geweest.
Dat bewijst niet dat Caesars soldaten er wel waren. Wel helpt het te voorkomen dat potentiële locaties van Caesars marskampen bij gebrek aan dateerbare vondsten te snel worden afgeschreven, zoals op grotere schaal de neiging bestond het gehele noordelijke gebied bij gebrek aan vondsten af te schrijven, zoals recentelijk nog door Thoen in 2008. Bescherming van cultureel erfgoed maakt het raadzaam potentiële locaties in beeld te houden. Omdat onmogelijk alles valt te volgen en beschermen, kunnen gerichte zoekpatronen helpen.
Zoekpatronen
De astronoom maakt meer kans een planeet in beeld te krijgen als er hypotheses worden ontwikkeld over de plek waar je planeten kunt verwachten. Evenzo helpen hypothesen over patronen in de bewegingen van Caesars leger, gebieden te identificeren met een bovengemiddelde kans op aanwezige marskampen of slagvelden.
Mijn onlangs gepubliceerde boek De Caesarroute beschrijft op basis van de recent ontdekte kampen en zijn verslag, hoe het leger van Caesar in 55 v.Chr. onder grote tijdsdruk van Koblenz naar het Kanaal trok. [noot 7] Hoewel archeologisch bewijs ontbreekt, is er een natuurlijke route dwars door België die om praktische redenen het aannemelijkst is. Het beste alternatief is ongeveer anderhalf keer zo lang. In de late prehistorie ging het nog niet om de beroemde verharde Romeinse wegen, maar veelgebruikte natuurlijke trajecten. Onderzoekers spreken daarom van routes in plaats van wegen.
De Caesarroute werkt de hypothese uit dat Caesar op zijn eerste doortocht ontdekte dat de route zeer goed bruikbaar was, en deze daarom in latere jaren vaker gebruikte. Het vormt de ruggengraat van een model dat de aandacht vestigt op mogelijke zijtakken van deze hoofdroute die Caesar ook kon gebruiken. Daarmee komen potentiële strategische knooppunten in beeld, zoals bij Amay en Bastogne, die in de toekomst extra aandacht verdienen, een raamwerk voor gericht vervolgonderzoek. Verschillende potentiële locaties in beeld houden, vergroot de kans dat plaatsen herkend worden. Dergelijke piketpaaltjes kunnen vervolgens helpen gerichter andere locaties te traceren omdat Caesar onder meer informatie geeft over onderlinge afstanden.
Het in bredere context plaatsen stimuleert verder te kijken dan regionale tradities die uitgaan van de eigen woonplaats. Zo leeft rond Tongeren de traditionele gedachte dat daar ergens de door Caesar genoemde hoogteburcht Atuatuca gelegen moet hebben, met volgens Caesar 2 mijl verderop de beroemde hinderlaag van Ambiorix. Hoewel dat zeker een mogelijkheid is, kan dat het zicht ontnemen op opties verder weg. Een belangrijk argument is dat Atuatuca doorklinkt in de latere naam van de Romeinse stad bij Tongeren. Maar die gedachtegang negeert wat ‘zwervende plaatsnamen’ genoemd zouden kunnen worden. Toen de Romeinen zich in de tijd van Augustus definitief in de regio vestigden, werden oude hooggelegen stamcentra regelmatig enkele kilometers tot zelfs tientallen kilometers verplaatst naar verkeerstechnisch gunstigere, lagergelegen locaties bij rivieren en belangrijke wegen. Soms verhuisde de oude naam mee. Zo noemt Caesar het inheemse oppidum Nemetocenna bij Étrun. Later werd de naam Nemetacum gebruikt voor de Romeinse nederzetting die 7 kilometer oostelijker verscheen bij wat nu Arras is. Het is dus zinvol breder te kijken. Dat geldt zeker voor Atuatuca dat niet verwijst naar de Eburonen, de stam van Ambiorix, maar naar hun buurstam de Atuatucen.
Om de beperkte huidige kennis over Caesars verblijfplaatsen te visualiseren, is in De Caesarroute een bollenschema geïntroduceerd, met per score een samenvattend steekwoord, van ‘zeker’ tot ‘onmogelijk’. Het beroemde slagveld bij Alesia scoort alle zes de bolletjes en het gebouw van het Rijksmuseum van Oudheden nul omdat dat in Caesars tijd natuurlijk nog niet bestond. De speelse kwalificatie laat ruimte voor discussie over het aantal bolletjes. Eigenlijk zou een commissie van wetenschappers periodiek de score moeten bepalen aan de hand van voortschrijdend inzicht. In dit stadium helpt het herinneren dat onderzoekers veelal werken met aanwijzingen en waarschijnlijkheden in plaats van zekerheden.

Bovenstaande afbeelding: Bollenschema dat op speelse wijze helpt beseffen dat de persoonlijke aanwezigheid van Caesar, of dat van zijn leger, zelden bewezen is (Buijtendorp 2023a, p. 12).
Publieksbereik
De Caesarroute is een op een breed publiek gerichte reisgids. [noot 8] Vanuit wetenschappelijk oogpunt was het verleidelijk om, gegeven de beperkte kennis, in de reisgids ideeën over mogelijke locaties niet te benoemen, uit angst dat bij het bredere publiek een onjuist beeld blijft hangen. Maar die benadering kan evengoed een beeld scheppen, namelijk dat Caesar niet of nauwelijks in de Lage Landen is geweest. Dat is het beeld dat zich in de afgelopen eeuwen heeft opgedrongen bij gebrek aan concrete voorbeelden.
In De Caesarroute is er daarom voor gekozen een aantal mogelijke locaties juist wel te benoemen. Ook is het idee losgelaten dat een route alleen interessant is als Caesar met zekerheid ergens is geweest. Zo kun je plekken bezoeken waar je een beeld krijgt van Caesars uiterlijk of het soort verdedigingswerken dat Caesar en zijn tegenstanders gebruikten. Op bepaalde plekken valt te ervaren hoe Caesar in feite de eerste ontdekkingsreiziger in de Lage Landen was, een perspectief dat nieuwe inzichten geeft in de betrouwbaarheid van zijn eigen verslag. Een voorbeeld hiervan is de hoogteburcht bij Caestert die als decor dient van een reconstructie van zijn twee beroemde nederlagen in het hart van het stamgebied van de Eburonen. Zoals het bollensysteem aangeeft, is het niet zeker dat deze gevechten daadwerkelijk op deze plek plaatsvonden, maar verre van uitgesloten. Hoe dan ook vormt het centraal in het Eburoonse stamgebied gelegen Caestert een plek die perfect past bij Caesars beschrijving en zo helpt met diens tekst in de hand oog te krijgen voor praktische details van de beroemde strijd. Het is een manier om ook een breder publiek mee te nemen in de nieuwe kijk op Caesars aanwezigheid in de Lage Landen en tegelijkertijd de onzekerheid weer te geven waarmee wetenschappers kampen. ◼
Over de auteur
Tom Buijtendorp promoveerde op Forum Hadriani bij Den Haag, basis voor de huisreconstructie in Museumpark Archeon. Hij onderzocht verschillende cold cases uit de archeologie, zoals de mysterieuze Brittenburg en de vergeten slagvelden van Caesar. Ook de 3D-gezichtsreconstructie van Caesar voor het Rijksmuseum van Oudheden is gebaseerd op zijn onderzoek.
Noten
noot 1 Buijtendorp (2023b) 6 en 8; geciteerd in het met advies van Thoen geschreven artikel van Cuyt (2006) 60 en Biesbrouck (2006).
noot 2 Buijtendorp (2023a) 10; Buijtendorp (2023b) 21 e.v., 19, 48, 59, 150 en 342.
noot 3 Buijtendorp (2023a) 10-11, 66-71; Buijtendorp (2023b) 93-94, 96, 101, 151, 296, afb. 5.3 en kaart 28, met literatuur; Schade-Lindig (2022).
noot 4 Buijtendorp (2023b) 89-91, 94, 151, 343 en afb. 5.2; Poux (2008).
noot 5 Buijtendorp (2023a) 11-12, 35, 94, 100, 102-105; Buijtendorp (2023b) 89, 91-94, 98, 151, 190, 200, 203, 274, 282, 327, 332, 350 en afb. 5.3 en 11.2, met literatuur; Hornung (2017).
noot 6 Buijtendorp (2023a) 78-89; Buijtendorp (2023b) 196-201, 204-207; Verhoeven (2008) en (2011).
noot 7 Buijtendorp (2023a) 8-9, 72-77 en afb. 1 en 4; Buijtendorp (2023b) 13-14, 79-87, 99-107, 171, 25, 260, 263, 265 kaart 6 en afb. 14.1.
noot 8 Buijtendorp (2023a), met veel achtergrondinformatie en bronnen in Buijtendorp (2023b).
Literatuur
B. Biesbrouck, ‘Gentse professor trekt de Romeinse verovering van onze gewesten in twijfel’, De Morgen (20 februari 2006).
T.M. Buijtendorp, De Caesarroute. Gids bij Caesar in de Lage Landen (Zutphen 2023a).
T.M. Buijtendorp, Caesar in de Lage Landen. De Gallische Oorlog langs Rijn en Maas (Utrecht, heruitgave 2023b).
G. Cuyt, ‘Geef aan Caesar wat Caesar toekomt…’, Bulletin Antwerpse Vereniging voor Romeinse Archeologie (AVRA) 7 (2006) 60-91.
S. Hornung, ‘Auf den Spuren Iulius Caesars. Das römische Militärlager von Hermeskeil’, Jahrbuch Kreis Trier-Saarburg (2018) 261-269.
M. Poux, ‘L’empreinte du militaire césarien dans les faciès mobiliers de La Tène finale. Caractérisation, chronologie et diffusion de ses principaux marqueurs’, in: M. Poux (red.), Sur les traces de César. Militaria tardo-républicains en context gaulois. Actes de la table ronde de Bibracte, Centre archéologique européen (Glux-en-Glenne 2002) 376-381.
S. Schade-Lindig (red.), ‘Archäologie am Greifenberg bei Limburg a. d. Lahn.: Spuren von der Jungsteinzeit bis zur Römischen Republik’, Hessen Archäologie, Jahrbuch für Archäologie und Paläontologie in Hessen, Sonderband 4 (2022).
M.P.F. Verhoeven, Een aanvullende archeologische evaluatie en waardering van het plateau van Caestert, RAAP-rapport 2162 (Riemst 2011).
M.P.F. Verhoeven, Studieopdracht naar een archeologische evaluatie van het plateau van Caestert, RAAP-rapport 1769 (Riemst 2008).

