door MICHIEL LEEZENBERG | deze recensie verscheen in Hermeneus 98.2
Onlangs verscheen bij uitgeverij Athenaeum een vertaling van Frédéric Lenoirs uiterst leesbare boek over Marcus Aurelius, de tweede-eeuwse keizer-filosoof. Lenoir is een meester in wat in het Frans zo mooi haute vulgarisation wordt genoemd. Eerder publiceerde hij onder meer Le miracle Spinoza (in het Nederlands vertaald als Spinoza en de weg naar het geluk), waarvan in Frankrijk meer dan tweehonderdduizend exemplaren zijn verkocht. Zijn nieuwe boek richt zich ook nadrukkelijk niet op een academisch publiek: het is welbewust populariserend. Daarmee sluit het enigszins aan op de moderne visie die de antieke Stoa beschouwt als een vorm van Popularphilosophie.
Lenoirs visie steunt vooral op Pierre Hadots omvangrijke monografie over Marcus Aurelius, La citadelle intérieure (vertaald als Marcus Aurelius en de Stoa, 2022), en algemener op Hadots invloedrijke opvatting dat de antieke filosofische scholen, de Stoa voorop, geen academische of scholastische filosofie onderwezen, maar hun leerlingen een manier van leven wilden bijbrengen In deze opvatting was filosofie geen vakgebied dat je je in een paar jaar eigen kunt maken, maar een spirituele oefening die je elke dag en je leven lang moet verrichten. Hadots visie krijgt langzamerhand meer navolgers, ook in academische kringen; maar ze heeft ook critici. Zo heeft Pierre Vesperini in zijn studie Droiture et mélancholie (2016) betoogd dat Marcus Aurelius noch een Stoïcus noch een filosoof in Hadots of andere betekenis was: hij benadrukt dat de keizer zelf geen oorspronkelijk of vernieuwend denker was, en dat hij ook leentjebuur speelde bij andere filosofische scholen. In een ambitieuze latere studie, La philosophie antique: Essai d’histoire (2019) lanceert Vesperini een aanval op Hadots visie als geheel.
Lenoir volgt in dezen Hadot; die leent zich sowieso beter voor populair-filosofisch gebruik dan de hoogacademische Vesperini. De eerste helft van zijn boek schetst Marcus Aurelius’ leven; die schets is echter minder een bio- dan een hagiografie: ze herhaalt het traditionele beeld van een uitermate ernstige en sober levende keizer die liever filosoof was geworden, maar zich uit plichtsbesef op staatsbestuur en militaire campagnes richtte. Al als jongeman was de toekomstige keizer serieus en studieus: zelfs tijdens theatervoorstellingen en gladiatorenspelen zat hij dikwijls te lezen. In 161 werd hij tot keizer gekroond. Al waren senaat en volk enthousiast over zijn benoeming, toch stond hij erop dat zijn halfbroer Lucius Verus (volgens de Historia Augusta een notoire dronkenlap en hoerenloper) samen met hem zou regeren. De talrijke oorlogen die het rijk voerde, vielen de keizer zwaar. Tijdens een van zijn militaire expedities overleed hij, in 180.
Al onderkent Lenoir dat Marcus eerder een conservatieve dan een hervormende keizer was (hij had een afkeer van gladiatorenspelen, slavernij en oorlogsgeweld maar ondernam geen radicale stappen om ze tegen te gaan), toch leest zijn beschrijving vooral als een heiligenleven. Dat is waarschijnlijk geen toeval. Voor hem zijn denkers als Marcus Aurelius en Spinoza uiteindelijk eerder wijzen, die ons het geluk willen tonen; als zodanig staan ze eerder in de traditie van religieuze figuren als Jezus en de Boeddha dan van de andere kanonieke filosofen. Volgens Lenoir is Jezus zelfs ‘de grootste wijze uit de geschiedenis’.
Dat leidt tot een bijna religieuze visie op de stoïsche filosoof. Op zich is zo’n visie natuurlijk legitiem en verdedigbaar; maar Lenoirs uitwerking ervan heeft wel methodologische problemen. Hadot waarschuwt in de inleiding van zijn monografie dat de helderheid van de Aantekeningen misleidend is, en dat doel en betekenis van het boek voor moderne lezers ‘buitengewoon moeilijk te vatten zijn’. Dergelijke nuances zijn aan Lenoir niet besteed: voor hem is de wijsheid van Marcus Aurelius tijdloos en voor iedereen toegankelijk. Zodoende behandelt hij de Romeinse keizer net zoals hij de joodse lenzenslijper uit Amsterdams behandelde: als de brenger van een blijde en eenvoudige boodschap die ons vertelt hoe we gelukkig kunnen worden. Marcus Aurelius schreef echter niet om anderen gelukkig te maken, maar eerder om zichzelf aan te sporen. In een brief aan Lucius Gellius spreekt hij ook zijn ontsteltenis uit dat zijn schrijfsels überhaupt gepubliceerd zijn: ‘Ik begrijp niet hoe aantekeningen in die deplorabele staat in het publieke domein zijn beland, tegen mijn wil en buiten mijn medeweten’ (pag. 61).
Zodoende vormt Lenoir Marcus Aurelius om van een solitaire denker tot een profeet die voor anderen het geluk wil prediken. Ook Lenoir zelf is door filosoof Roger Pol-Droit schamper omschreven als een profeet van het ‘filo-geluk’; maar dat is misschien wat al te negatief. Voor zover Lenoirs boek lezers aanzet tot het lezen, of herlezen, van Marcus Aurelius valt het positief te waarderen; maar lezers die een kritische en historisch bewuste lezing van de Stoïsche filosofen zoeken, zullen meer baat hebben bij de meer genuanceerde studies van Hadot en Vesperini.
| Specificaties van dit boek | |
|---|---|
| Auteur: | Frédéric Lenoir (vert. Marga Blankestijn) |
| Titel: | De droom van Marcus Aurelius. Van filosofie naar levenskunst |
| ISBN: | 9789025319113 |
| Uitgever: | Athenaeum—Polak & Van Gennep, oktober 2025 |
| Uitvoering: | paperback, 222 pag. |
| Prijs: | € 22,50 |

