LUUK HUITINK | In 2014 doken op papyrus aanzienlijke fragmenten op van twee nieuwe gedichten van Sappho. Het eerste daarvan kreeg van bewerker Dirk Obbink de titel Brothers Song, omdat Sappho daarin haar verlangen uitspreekt naar de terugkeer van haar broer Charaxos van een handelsreis, en hoopt dat haar andere broer, Larichos, spoedig een belangrijk man zal worden op Lesbos. Door de inmiddels beruchte zwendelpraktijken van Obbink is ‘de nieuwe Sappho’ tegenwoordig omstreden, en worden zowel de herkomst van de papyrus als de waarde van het ‘Broersgedicht’ fel bediscussieerd.
Dat alles heeft geen indruk gemaakt op Michiel J. Ris, die vooral de poëtische klank van het woord ‘Broersgedicht’ wist te waarderen en zijn debuutbundel die titel meegaf. In deze nieuwe context zijn de broers de dichter zelf (of liever: de ik-figuur), een jonge man die zijn weg zoekt naar de volwassenheid, en diens broer Jona, een marinier op missie. In drie afdelingen, omlijst door een proloog en epiloog, verkent de bundel hun relatie en ontvouwt zich een poëtisch spel van nabijheid en afstand. De rijke, kwetsbare binnenwereld van de ik-figuur wordt voortdurend doorkruist door wat van buitenaf binnenkomt – nieuws over oorlog, zorgen om de broer, maar ook een blik op een leven voorbij het hier en nu en een hunkering naar avontuur, beweging. De wisselwerking tussen binnen- en buitenwereld levert een broze, voortdurend verschuivende spanning op. Daarbij worden alledaagse situaties tot existentiële momenten verheven, zoals een aanval van slapeloosheid in de eerste strofe van Nocturne:
Het is nu te laat om hem nog te bellen,
ook al is zijn stem – een verhaal, hoe kort ook –
alles wat me nu nog gerust kan stellen
en me in slaap brengt.
Een verwante spanning die de bundel kenmerkt is die tussen verhalen als bron van troost, herkenning en houvast – en het besef dat literatuur ons misschien tot op zekere hoogte klaar kan stomen voor het leven, maar het leven niet kan vervangen – for better and worse. In het gedicht Decamerone, dat begint met de mededeling “Er zijn teksten die ik misschien toch liever / niet gelezen had”, klinkt dat door in regels als:
Onlangs lachte ik en herkende dingen:
liefde als lyriek die ik had gelezen
’t virus als de pest in het kamp, in Thebe
en in Athene.
Maar ik lach niet meer. Want hoe anders is het
als de tekst niet langer de tijd omschrijft maar
Tijd de tekst uitspelt (…)
In dergelijke mengelingen van persoonlijke ervaring, actuele gebeurtenissen (zoals hier de coronapandemie) en verwijzingen naar de oudheid toont Ris onmiskenbaar ambitie en flair. Maar bij het sterke concept van de bundel blijft de uitwerking in losse beelden en verzen soms wat achter. Zo zijn niet alle motieven of verwijzingen even overtuigend uitgewerkt, en fungeert de oudheid hier en daar meer als decor dan als een werkelijk dragend element. Ook zien we af en toe een wat al te literaire pose, waarin het gewicht van de traditie de persoonlijke urgentie lijkt te overschaduwen.
De geciteerde strofes laten zien dat de invloed van Sappho verder reikt dan de titel: een groot deel van de bundel is geschreven in Sapphische strofen – een versvorm die in de Nederlandse poëzie niet vaak wordt gebruikt. Toch zijn er fraaie precedenten, onder meer bij Bloem, Gerhardt en, niet te vergeten, Nijhoff, wiens jeugdgedicht Morgen-gebed voor een afwezige geliefde Ris ongetwijfeld heeft beïnvloed. Opvallend is hoe soepel hij zich deze klassieke vorm toe-eigent: zijn regels klinken helder, licht en losjes, zonder dat de metrische spanning verdwijnt.
Zoals wel vaker bij debutanten klinken de stemmen van voorgangers nog hoorbaar mee. Nijhoff is zichtbaar invloedrijk, ook in de thematiek van alledaagse anekdotiek; er wordt nogal wat thee en koffie geschonken in de bundel. Achterberg doet zich eveneens gelden, zowel in de afdelingtitels (Thuisfront, Dodenstad, Geboortegrond) als in afzonderlijke beelden en regels (‘Mijn lichaam is een massagraf’, uit Katabasis). Hier en daar doemen in het melancholieke, licht ironische observatieregister ook Vasalis en Lodeizen op (‘Heel soms, wanneer we ’s avonds gaan wandelen / door ’t stratenplan van scherven’, uit Hyacinten). De invloeden reiken voorbij Nederland. Zo is De stad een bewerking van het gelijknamige gedicht van Kavafis, en doet Nieuwe Alcaeus denken aan Pounds Papyrus: ook hier een zogenaamd papyrusfragment, al bestaat het bij Ris uit flarden van een gesprek opgevangen in een intercity — een vondst die even geestig als trefzeker is.
Heeft Ris hiermee al een geheel eigen toon gevonden? Nog niet helemaal. Maar dat doet weinig af aan de zelfverzekerdheid van dit debuut. Verheug ik mij op de volgende bundel van deze jongste loot aan de bloeiende boom van Nederlandse classici-dichters? Jazeker.
Luuk Huitink is universitair hoofddocent Grieks aan de Universiteit van Amsterdam. Deze recensie verscheen ook op papier in Hermeneus 97.3.
Auteur: Michiel J. Ris
Titel: Broersgedicht
ISBN: 9789083312682
Uitgever: HetMoet, 2024
Uitvoering: paperback, 64 pag.
Prijs: € 19,50

